Historie

Sympathiek, gemoedelijk en gezellig. Zo wordt het ruim honderdjarige Excelsior vaak omschreven. De Kralingse eredivisieclub heeft geen last van de eigenaardigheden waarvan veel andere betaald voetbalclubs wel last hebben. Op Woudestein kom je geen vedetten tegen, arrogant gedrag wordt snel de kop ingedrukt.

Excelsior mag dan al lang niet meer de club van oude kranten zijn, de sfeer is ondanks het gemoderniseerde stadion amper veranderd. Voorzitter Martin de Jager roept niet voor niets graag, dat de leverworst na elke thuiswedstrijd nog steeds rondgaat in het sponsorhome.
Wie de historie van Excelsior op een rijtje zet, komt er snel achter dat de populariteit van de club in ieder geval niet in de hand is gewerkt door de sportieve prestaties. De Kralingers hebben eigenlijk altijd in de schaduw gestaan van die twee andere clubs uit Rotterdam, Feyenoord en Sparta. Een keer bereikte Excelsior de finale om de KNVB-beker, in 1930. Deze wedstrijd, tegen stadgenoot Feyenoord, werd met 1-0 verloren. Drie jaar eerder wonnen de roodzwarten wel met 5-0 van Feyenoord toen de Zilveren Bal de inzet was. Deze triomf was meteen een van de grootste successen van voor de Tweede Wereldoorlog.

In 1946 en 1952 promoveerde Excelsior naar de eerste klasse KNVB, de eerste keer na een beslissingswedstrijd tegen VUC in de Kuip, die 52.000 toeschouwers trok. Na de invoering van het betaalde voetbal behaalde de club tweemaal het kampioenschap in de eerste divisie (1974 en 1979) en promoveerde nadien nog een aantal keren, om meestal niet lang daarna weer te degraderen. Te klein voor tafellaken, te groot voor servet. Na het seizoen 2001-2002 promoveerde Excelsior voor het eerst sinds 1987 weer naar het hoogste voetbalpodium. Helaas bleek de ploeg ook deze keer niet goed genoeg voor een lang verblijf op het hoogste niveau. Na een seizoen was Excelsior terug in de Gouden Gids Divisie.
Met minimale middelen en een maximum aan creativiteit houdt Excelsior zich al ruim honderd jaar in leven. Altijd wist de club zichzelf te bedruipen. De verpersoonlijking van dit beleid is ‘Mister Excelsior’ Henk Zon. Een kwart eeuw lang, van 1952 tot 1977, was hij voorzitter. Na elke toespraak haalde Henk Zon zijn bolhoed tevoorschijn om geld op te halen. En niemand die hem durfde te weigeren. Als bestuurder van de KNVB ging hij bovendien vaak op reis met het Nederlands elftal. Na het banket ging hij dan staan, zong het clublied van Excelsior en bracht lootje voor het Bouwfonds aan de man. In 1977 zette ‘Henri Soleil’ met het Rotte’s Mannenkoor ‘Ferme jongens, stoere knapen’ zelfs op de plaat.

Het leverde Excelsior veel broodnodige guldens op. Maar zijn meest besproken actie was het inzamelen van oud papier. Met een halfversleten busje ging een groepje vrijwilligers wekelijks op pad om op vaste adressen oude kranten, folders e.d. op te halen. Het leverde Excelsior jaarlijks duizenden guldens op en een imago als oud papier club. Het oud papier was voor Excelsior letterlijk bankpapier. Eenmaal voorzitter af, ging Henk Zon vaak persoonlijk met de inzamelaars op pad. Toen hij met hen op een adres kwam waar de oude kranten tot het plafond lagen opgestapeld, draaide hij zich lachend om naar de anderen: ‘Bel Jaap Bontenbal, we kunnen Cruijff kopen!’
Ondanks de moeizame financiële positie en de steeds verder teruglopende toeschouwersaantallen zijn de bestuurders van Excelsior altijd vooruitstrevend geweest. Toen de KNVB halverwege de jaren vijftig halsstarrig bleef weigeren betalingen in het voetbal toe te staan, nam Zon samen met wijlen Aad Libregts en bestuurders van Feyenoord, Sparta en ADO het initiatief om met bondsvoorzitter Hopster over de situatie te gaan praten. ‘We leven in een materialistische wereld’, schreef Zon in zijn dagboek nadat Excelsior-speler Aad Bak hem duidelijk had gemaakt dat hij voor geld zou vertrekken naar de Profclub Rotterdam. ‘Geld is troef en de KNVB zal eraan moeten.’ In augustus 1954 ging de bondsvergadering akkoord en was betaald voetbal een feit. Niet alleen in dat opzicht speelden de Kralingers een voortrekkersrol. Excelsior was in 1958 ook de eerste club in Nederland met een overdekte staantribune. Leden zorgden voor het geld en een groep ijverige vrijwilligers voor de bouw.

Later, in 1974, was Excelsior ook de eerste club met shirtreclame. Tegen de toen geldende regels in, zette de club een ‘A’ op het shirt. Die letter stond zogenaamd voor ‘A-elftal’, maar in werkelijkheid voor ‘Akai’, het bedrijf van suikeroom Rob Albers. De A werd uiteindelijk verboden en het zou tot 1982 duren voor shirtreclame werkelijk werd ingevoerd. De naam Akai zou tot 2000 de shirts van Excelsior sieren.
De tijden van armoede zijn voorbij. Nadat Excelsior begin jaren negentig bijna ter ziele was gegaan, verging het de club onder leiding van voorzitter Martin de Jager steeds beter. Belangrijke winstpunten waren de bouw van het moderne stadion Stad Rotterdam Verzekeringen en de samenwerking met Feyenoord. Dat laatste idee was niet nieuw. In 1979 al sloten Excelsior-voorzitter Jaap Bontenbal en Feyenoord-manager Peter Stephan een soortgelijke overeenkomst. De losvaste relatie die sindsdien tussen beide clubs bestond, werd in 1996 bezegeld met een samenwerking, waarbij Excelsior fungeert als kweekvijver voor Feyenoord. Alle kritiek van buitenaf ten spijt, bleken de Kralingers andermaal creatief en vooruitstrevend. De club speelt weer een rol van betekenis in het betaalde voetbal en andere clubs bezien de innige relatie met jaloerse blikken.

Het creatief omgaan met minimale middelen, de vindingrijkheid van de bestuurders en de ontspannen sfeer binnen de club – het heeft er allemaal toe bijgedragen dat Excelsior Rotterdam anno nu bij veel mensen een positief gevoel oproept. Dat de club juist in dit jubileumjaar de stap naar de eredivisie heeft gemaakt, is de kroon op het werk van al die mensen die zich de afgelopen eeuw voor de club hebben ingezet. ,,Wij hebben nog nooit verder gesprongen dan onze polsstok lang was’’, zei Henk Zon in 1976. Algemeen directeur Simon Kelder sprak woorden van gelijke strekking nadat Excelsior in 2002 was gepromoveerd: ,,Gekke dingen hoeft men van Excelsior niet te verwachten’’, zei hij.
Met die instelling kan Excelsior nog zeker honderd jaar vooruit.